waarschuw redactie
vrijdag 25 nov 2005, 09:31
Wat men de laatste jaren heeft vastgesteld is dat de verhouding tussen omega-6- en omega-3- vetzuren (hierna aangeduid als ω-6 en ω-3) van het grootste belang is. Hoewel de ω-6-vetzuren onmisbaar zijn, is het dieet de laatste jaren zodanig dat we daarvan te veel binnen krijgen en te weinig van de ω-3-vetzuren. Terwijl de verhouding tussen ω-6 en ω-3 vetzuren ongeveer 1 moet zijn is die bij het hedendaagse dieet ca. 20.
Dit leidt tot stemmingswisselingen, depressies, een hoog gehalte aan triglyceriden in het bloed, hartklachten en nog meer ellende.
Het onderwerp heeft de aandacht in de medische vakbladen. Wie een jaar geleden in Medline intikte "omega-3" kreeg 3.000 publicaties, wie het nu doet krijgt er 8.000.
Het lichaam kan de noodzakelijke ω-3-vetzuren in beperkte mate maken uit andere onverzadigde vetzuren, zoals alfalinoleenzuur (LNA), maar de mogelijkheid daartoe is zeer beperkt en deze wordt nog beperkter door vasten, stress en een zinktekort.
De noodzakelijke ω-3-vetzuren komen vooral voor in vette vis. Uit epidemiologisch onderzoek blijkt dat het eten van vis hart- en vaatziekten en hartdood, kanker, depressie en suïcide tegengaat. De belangrijkste van deze vetzuren worden aangeduid als EPA en DHA.
De laatste paar jaar is duidelijk geworden dat het geven van ω-3-supplementen bijzonder gunstig werkt bij psychiatrische aandoeningen zoals manische depressie, therapieresistente depressie, schizofrenie en agressie. Het toedienen van EPA heeft een stemmingsverbeterend effect.
Het blijkt dat de groei van kinderen in vegetarische gemeenschappen door een tekort aan deze vetzuren achterblijft. De sondevoeding die in ziekenhuizen wordt toegepast bevat helemaal geen EPA of DHA, terwijl de andere onverzadigde vetzuren in een verkeerde verhouding aanwezig zijn.
Uit een beperkt onderzoek bij 8 AN-patiënten bleek dat zij te weinig EPA en DHA hebben. De auteur acht het waarschijnlijk dat de te hoge ω-6/ω-3 verhouding (die depressief maakt) door het volgen van een vermageringsdieet in de gunstige richting verschuift, waardoor de patiënt zich prettiger voelt. Dit zich prettiger voelen duurt zo lang er weinig gegeten wordt waardoor de daarvoor gevoelige persoon in de ban van de AN raakt. Als men zo’n patiënt dan gaat bijvoeden met de gebruikelijke voedingsmiddelen is er een groot risico dat zij weer te veel ω-6 krijgt, met als gevolg dat zij zich weer bijzonder ongelukkig gaat voelen. De auteur meent dat de psychologische verklaringen voor het gedrag van de patiënt wellicht vervangen moeten worden door voedingsfactoren.